Vraag het aan Maddy
Aanvankelijk had ik het niet eens door. Toen ik zijn kamer binnen kwam – de nieuwe directeur wilde graag eens kennismaken met degene die binnen zijn organisatie een beeld had over het IT-beleid – viel me wel op dat er weinig op zijn bureau stond. Natuurlijk een toetsenbord en een plat scherm, en een groot vloeiblad. Pas een fractie van een seconde later realiseerde ik me dat het scherm naar mij stond gericht, en niet naar hem. En dat het zwarte toetsenbord aan mijn kant van het grote bureau stond. ‘Ik doe niet aan e-mails’, zou hij even later zeggen. ‘Ik vraag altijd of Maddy – zijn secretaresse – ‘mijn mails print. Mijn antwoorden dicteer ik en zij typt. Veel efficiënter’. Inderdaad, het was veel efficiënter. In zijn geval.
De Amerikaanse Republikeinse presidentskandidaat John McCain gebruikt geen e-mail. Dat is zijn goed recht. Veel affiniteit met het internet hoef je bij hem niet te verwachten. Zijn Democratische tegenstander Barack Obama zit daarentegen dag en nacht achter de toetsen. Hij mailt, blogt, sms’t en twittert dat het een lieve lust is. Of in ieder geval iemand namens hem. Misschien Maddy wel.
De verwachting is dat de race tussen Obama en McCain een spannende zal worden. En als tegenstanders aan elkaar gewaagd lijken te zijn, gaat misschien de techniek wel het verschil maken. Denk aan de klapschaats van weleer, of het astronautenzwempak van Speedo waarmee in Peking records zijn gebroken. Dus waarom zou de inzet van het internet niet het verschil kunnen maken bij de Amerikaanse verkiezingen van komende november? Het kan namelijk heel goed. In Technology Review schreef David Talbot over de sociale netwerkstrategie van senator Obama die nu op de poorten van het Witte Huis klopt.
Een president is zo goed als zijn staf. De internetstaf van Obama heeft begrepen hoe de hazen lopen op het net, ongetwijfeld mede dankzij de 24-jarige Chris Hughes, medeoprichter van het succesvolle internetbedrijf Facebook. Het begon al met het inzamelen van geld. Obama heeft meer dan de helft van zijn fondsen via het internet binnengehaald. Opvallend is dat daarbij heel veel kleine donaties zaten: bijna de helft van de giften bedroeg minder dan $ 200.
Minstens zo belangrijk is het werven van stemmen. Niet-stemmers overhalen om in beweging te komen, Clintonstemmers te troosten (de Unite for Change-campagne) en natuurlijk om McCain-aanhangers van hun dwaalspoor af te brengen. Een buitengewoon krachtig electoraal netwerk is tot stand gebracht, van boven strak geregisseerd, van onder zwaar gedelegeerd. Een kleine drie miljoen mensen zijn direct aangesloten en tientallen miljoenen indirect. Dagelijks worden hedendaagse versies van de Tupperware-bijeenkomsten uit de jaren zestig georganiseerd, alleen worden nu niet plastic bakjes uitgewisseld maar meningen en standpunten.
De internetmachine van Obama verstuurt miljoenen e-mails. Ik ben een van de ontvangers. Joe Biden komt bij mij over de vloer. ‘Joost, thank you for your warm welcome.’ Geen dank. Nog altijd beter dan de e-mail die ik van Rita Verdonk kreeg. ‘Beste mensen, ik hoop dat u een goede zomer hebt gehad en er weer met frisse moed tegenaan kan.’
Afgelopen dinsdag kreeg ik weer een mailtje van mijn vriend Barack. ‘Hi Joost’. Of ik Michelle had gezien, zijn vrouw, waar hij zo trots op was. Ze was tijdens haar maandag-avond speech ‘electrifying, inspiring, and absolutely magnificent’. Hartelijke groet, Barack. En daaronder een grote rode knop. Donate. Het is als de warmte van een nep- open haard, met hout van steen en vuur van een gaspijpje.
En toch, de campagne van Obama is indrukwekkend. Het internet is het Speedo-pak van de verkiezingen in 2008. McCain zwemt met een grote wollen onderbroek de schoolslag, terwijl Obama als een haai door het water klieft. Maar misschien kan hij wel heel goed zwemmen, McCain. Ondanks zijn erfenis uit Vietnam, waardoor hij zijn armen maar beperkt kan heffen. Of juist dankzij?
Mijn dochter (Maddy) is nog veel te jong, want 2 jaar en 7 maanden, om uberhaupt iemands secretaresse te wezen :)